Het wiskundeonderwijs is een proces van geleidelijke opbouw en verdieping. Wat in het lager onderwijs reeds is verworven, met name getallen, meten, meetkunde, ruimtelijke ori├źntatie en een probleemgerichte aanpak, wordt verder uitgediept. Daarnaast komen nieuwe inhouden aan bod, die op hun beurt in de tweede graad verder worden ontwikkeld.

De leerlingen in het keuzegedeelte taal & media en wetenschap kiezen voor een extra lesuur versterking of verdieping wiskunde.

In het uur versterking wordt de leerling versterkt door extra oefeningen en uitleg bij de leerstof.

In het uur verdieping wordt de leerstof verdiept door het aanbieden van uitdagender oefeningen en opdrachten.

Vakinhoud wiskunde eerste jaar

Bij de getallenleer wordt vertrokken van het concreet cijferrekenen waarvan het fundament gelegd is in het lager onderwijs. Door invoering van natuurlijke getallen, voorzien van een minteken en negatieve breuken, komt men tot de verzamelingen der gehele en rationale getallen. De bewerkingen en eigenschappen worden algemener neergeschreven. Daarvoor wordt overgestapt op letters en komt men tot algebra├»sch rekenen.

Het gebruik van letters wordt uitgebreid tot het werken aan problemen waarbij verbanden tussen variabelen een rol spelen. De algebra wordt gebruikt bij het oplossen en beschrijven van verbanden tussen grootheden. Tegelijkertijd is het een fundament voor het begrip functie in de analyse uit de tweede en derde graad.

Voor meetkunde breidt men de kenmerken uit van concrete vlakke en ruimtelijke figuren, die in het lager onderwijs bestudeerd werden.

Door het werken met roosters worden getallenleer en meetkunde met elkaar verbonden.

Doelstellingen in het vak wiskunde:

  • Een wiskundig basisinstrumentarium verwerven. Leren omgaan met symbolen, formules, begrippen en verbanden waarmee men getallenleer, algebra, meetkunde, analyse en stochastiek kan ontwikkelen.
  • Een aantal wiskundige denkmethoden verwerven. Mogelijkheden verwerven om te ordenen en te structureren.
  • Cijfer- en beeldinformatie op een betekenisvolle manier hanteren.
  • Omgaan met de wiskunde als taal.
  • Vaardigheden ontwikkelen in het oplossen van problemen.
  • Verbanden leggen tussen de wiskundige leerinhouden en andere vakdisciplines.
  • Technische hulpmiddelen gebruiken om wiskundige informatie te verwerken, berekeningen uit te voeren of wiskundige problemen te onderzoeken.
  • Ervaren dat de wiskunde een dynamische wetenschap is.
  • Zelfvertrouwen en kritische zin ontwikkelen.