• Current
free joomla slider

In het vak wetenschappelijk werk (WW) maken de leerlingen op een leuke en speelse manier kennis met wetenschap. Ze proberen natuurverschijnselen te begrijpen, te verklaren, te voorspellen en ze voor praktische toepassingen aan te wenden. Wetenschappelijk werk gaat uit van experimenten. Daarom zullen de leerlingen geregeld zelf aan de slag gaan. Ze leren zorgvuldig experimenten uitvoeren in groepsverband.

Volgende thema’s komen aan bod:

  • Stroomsterkte en spanning
  • Kracht en druk
  • Evenwicht en hefbomen
  • Zinken, zweven en drijven
  • ...

Er wordt ook een brug gelegd met de sociologie en economie van het vak socio-economische initiatie (SEI). Vertrekkend vanuit de gemeenschappelijke doelstellingen worden tussen de vakken SEI en WW dwarsverbindingen gelegd via projectwerking. In het eerste trimester komt in beide vakken het project 'sport' aan bod, in het tweede trimester behandelen we het project ‘water’.

 

Ben je sportief en heb je interesse voor wetenschappen, dan is de richting wetenschappen met sport jouw richting!! Je krijgt in deze richting bovenop 5 uur wiskunde en 6 uur wetenschappen ook 4 uur sport. Sport wordt dus een derde hoofdvak. Je hoeft geen specialist te zijn in één bepaalde sporttak, aangezien je een brede waaier van verschillende sporten krijgt.
De basisvaardigheden ( snelheid, uithouding, kracht, (bal)vaardigheid, coördinatie) zijn natuurlijk wel vereist.
Naast de jaarlijkse sportdag worden er ook bijkomende stages ingelast die buiten het normale uurrooster vallen. In het derde jaar gaan we skiën in de Blaarmeersen en in het vierde jaar is er een echte watersportstage.

SEI is de afkorting van socio- economische initiatie.

Het is een wetenschap die een inleiding geeft op alles wat een mens doet om een zekere welvaart te bekomen. Hierbij onderzoek je het gedrag van de consument in al zijn sociale en culturele aspecten.

Er wordt kennisgemaakt met 2 verschillende vakken: sociologie en economie. Deze twee wetenschappen onderzoeken beide de mens en de samenleving, maar doen dat vanuit een verschillend oogpunt.

De sociologie bestudeert het dagelijkse leven van mensen en observeert hoe ze zich gedragen in hun omgeving, individueel en in groep. Er wordt gezocht naar verklaringen voor bepaalde gedragingen, voor ontstaan van wetten, rolpatronen, culturele verschillen…

De economie onderzoekt hoe mensen welvaart verwerven. Ze produceren goederen en diensten. Dankzij hun inkomen kunnen ze aan hun behoeften voldoen, maar daarbij moeten er telkens opnieuw keuzes gemaakt worden.

Er wordt vertrokken vanuit de eigen leefwereld (De consument in mij). Verder wordt de samenleving vanuit het gezin en vanuit grotere gemeenschapsvormen bestudeerd. Deze kennismaking draagt bij tot een bredere oriëntering van de leerlingen.

In de basisoptie Moderne Wetenschappen komt ook de discipline natuurwetenschappen aan bod in het vak wetenschappelijk werk. Vertrekkend vanuit de gemeenschappelijke doelstellingen  worden tussen de vakken SEI en wetenschappelijk werk dwarsverbindingen gelegd via projectwerking o.a. een project rond sport in het eerste trimester en water in het derde trimester.

Het algemeen vormend vak PO wil jongeren via beeldende creaties leren communiceren op een authentieke manier. Dit door een variatie van beeldende opdrachten uit te voeren, om zo creativiteit en eigenheid te ontwikkelen.

Door het aanreiken van cultuurbeschouwing, algemene kennis en vaardigheden, ontwikkelen jongeren een eigen beeldtaal. Door het creëren van een eigen beeldtaal is men in staat gevoelens en ideeën beter tot uiting te brengen.  

Een variatie aan thema’s en technieken wordt de jongeren aangeboden in de eerste graad (2u/week). Door de verschillende onderwerpen worden de jongeren uitgedaagd een creatieve en open houding aan te nemen. Hierdoor zullen attitudes zoals zelfvertrouwen, luisterbereidheid en respect toenemen. In het derde jaar (1u/week) wordt eerder de link gelegd naar de mediabeelden en de overconsumptie. Het waarnemingsvermogen aanscherpen en leren bewust omgaan met beelden staat centraal.

Nederlands is zonder meer een hoofdvak in alle richtingen. Het bestaat uit drie pijlers (taalvaardigheid, taalbeschouwing en literatuur) die onderling verweven zijn. Deze geïntegreerde visie zet zich in alle jaren door, met als doel de leerlingen taalvaardiger te maken en bij te dragen aan hun persoonlijke ontwikkeling. We willen ze mondiger en kritischer maken en hen tegelijkertijd taal leren appreciëren en goed doen gebruiken.

Geïntegreerd taalonderwijs

Taalvaardigheid is de eerste en belangrijkste pijler. De Nederlandse lessen zijn er in de eerste plaats om de leerlingen tot een betere receptieve én productieve beheersing van hun taal te brengen. Receptieve beheersing betreft luisteren/kijken en lezen; met productieve beheersing zijn spreken en schrijven bedoeld. Ook kijkvaardigheid vindt daarbij een plaats. Nu dragen ook de lessen van de andere vakken daar wel toe bij, maar in de Nederlandse les gebeurt het op een bewuste, opzettelijke en vakkundig geordende manier. Omdat een goed ontwikkelde taalvaardigheid voor alle leerlingen in hun schoolloopbaan en in hun latere beroep of vervolgstudie van groot belang is, vormt taalvaardigheid de hoofdcomponent.

Dat betekent niet dat we taalbeschouwing en literatuuronderwijs veronachtzamen. Recent is het inzicht gegroeid dat er heel wat facetten zijn aan taalvaardigheid, dat het gaat om meer dan de vier communicatieve vaardigheden. Vandaag gaan we ervan uit dat iemand taalvaardig wordt door vooral geïntegreerd te werken aan de verschillende vaardigheden en zo aan een integratie van kennis, vaardigheden, lees- en luisterstrategieën, inzichten en attitudes.

Taalbeschouwing staat in een nauwe relatie met taalvaardigheid. Het is op te vatten als reflectie die talig handelen begeleidt en zeker niet als losse kennisoverdracht. Die reflectie moet immers de taalvaardigheid van de leerlingen ten goede komen. 

Wat het literatuuronderwijs betreft, wordt er op verschillende snelheden gewerkt. In de eerste graad staat het genietend lezen van literatuur centraal, in de tweede en de derde graad is deze pijler wetenschappelijker onderbouwd: vanuit tekstervaring werken we aan tekstbestudering en -analyse.

Concrete doelen van het vak Nederlands op school

De combinatie van deze drie pijlers stelt onze school ertoe in staat om te werken aan drie concrete doelen: de ontwikkeling van het Standaardnederlands bij onze leerlingen, de ontwikkeling van hun functionele geletterdheid en de ontwikkeling van hun cognitief-academische taalcompetenties.

  • de ontwikkeling van Standaardnederlands

Het spreekt voor zich dat onze leerlingen klaargestoomd moeten worden voor het echte leven. Dat vereist dan ook een correct gebruik van het Nederlands. 

  • de ontwikkeling van functionele geletterdheid

Geletterd zijn is steeds meer een onontbeerlijke voorwaarde om andere competenties te ontwikkelen en om professioneel ‘op peil te blijven’. Onze leerlingen moeten dan ook competent worden in het communiceren en het verwerken van informatie via geschreven taal. We zetten daarom sterk in op het ontwikkelen van geletterdheid door veel leerrijke lees- en schrijfervaringen aan te bieden door middel van functionele taken, de taaltaken. Dit zijn taken die gericht zijn op een permanente en brede opvolging van de ontwikkeling van taalvaardigheden, taalkennis en taalattitudes.

  • de ontwikkeling van de cognitief-academische taalcompetentie 

Via het vak proberen we zo veel mogelijk krachtige leeromgevingen aan te bieden die de leerlingen in staat stellen zich te bekwamen in cognitief-academisch taalgebruik, uiteraard cruciaal om in het hoger onderwijs zijn mannetje te staan.

Enkele blikvangers per jaar

In wat volgt kan u enkele blikvangers per jaar lezen. Dit zijn niet de enige activiteiten die we als school organiseren, maar het geeft wel een representatief beeld.

- eerstejaars: auteurslezingen, bibliotheekbezoek

- tweedejaars: dichter in de klas / poëziewandeling Gent

- derdejaars: bibliotheekbezoek: de verschillende catalogi onder de loep

- vierdejaars: solliciteren voor Youca (Zuiddag) + creatief met gedichten + mythe, sage, sprookje …

- vijfde- en zesdejaars: theatervoorstellingen buiten de lesuren

Bibliografie

Visietekst Netwerk Didactiek Nederlands, 25 februari 2016

Leerplannen secundair onderwijs Nederlands 1e, 2deen 3degraad

In het lager onderwijs heb je tijdens de lessen wereldoriëntatie al veel geleerd over de natuur, het menselijk lichaam en het milieu. Er zijn natuurlijk een hele hoop dingen die je nog niet weet. Tijdens de lessen natuurwetenschappen ga je je kennis verder uitbreiden.

Bijna dagelijks krijg je via kranten, radio, tv of internet informatie over de opwarming van de aarde, verkeersellende, energieproblemen, de strijd tegen ziekten, oprukken van woestijnen, met uitsterven bedreigde planten en dieren... Om daar iets van te snappen en de problemen te kunnen aanpakken, heb je wetenschappelijke kennis nodig. Die kennis is tegenwoordig zo uitgebreid dat er verschillende domeinen zijn ontwikkeld. Zo bestudeer je in de biologie de levende natuur. De niet-levende natuur wordt dan weer onderzocht in de fysica en de chemie (scheikunde).

VAKINHOUD NATUURWETENSCHAPPEN 1e JAAR (twee lesuren per week)

Organismen en hun biotoop:

- algemene bouw van bloemplanten

- biotoopstudie

- uitwendige bouw van gewervelde dieren

- inwendige bouw van gewervelde dieren

Bouwstenen van organismen:

- organismen microscopisch bekeken

- materie

- bouwstenen van materie

Organismen functioneren door energie en stoffen om te zetten en te transporteren

- energievormen en energieomzetting

- structuurveranderen van stoffen

- spijsvertering

- ademhaling

- transport van stoffen door het bloed

- uitscheiding

- samenhang tussen stelsels

 

VAKINHOUD NATUURWETENSCHAPPEN 2de JAAR (één lesuur per week)

Organismen vormen een levensgemeenschap:

- voedselrelaties

- producenten doen aan fotosynthese

Organismen planten zich voort:

- voortplanting bij bloemplanten

- voortplanting bij de mens

Van wetenschap naar technische toepassingen:

- door stofomzettingen nieuwe moleculen maken

- krachten en hun effecten

- transport van warmte-energie

- zichtbare en onzichtbare straling

Voor alle tweedejaars staat ook een RELAVO-dag op de kalender. Via workshops verruimen we de kennis rond seksuele opvoeding en maken we de leerlingen relatievaardiger.

Het vak natuurwetenschappen behoort tot het lessenpakket van alle leerlingen van de derde graad die geen sterk wiskundige of wetenschappelijke richting volgen. In tegenstelling tot de tweede graad worden biologie, chemie en fysica geïntegreerd aangeboden en dat betekent een andere benadering van die wetenschappen. De aanpak is eerder kwalitatief en veel minder kwantitatief. 

Er wordt gewerkt rond vier contextgebieden (1 en 2 in het vijfde jaar, 3 en 4 in het zesde jaar).

  • Materie en stofomzettingen: bouw van cellen, voedingsstoffen, kunststoffen en chemische reacties
  • Energie: golven, radioactiviteit, elektriciteit en magnetisme
  • Krachten, trillingen en golven: traagheid, bewegingen, geluid, trillingen en golven
  • Voortplanting, erfelijkheid en evolutie: voortplantingsstelsel, zwangerschap, beïnvloeding vruchtbaarheid, genen, eiwitten, evolutie en erfelijkheidsleer

De contextgebieden zijn de basis om de leerlingen een wetenschappelijke geletterdheid aan te leren zonder diepgaande (wetenschappelijke) studie van de verschillende onderwerpen. De grote variatie aan thema's, de combinatie en het afwisselen van de afzonderlijke wetenschappelijke disciplines zorgen ervoor dat er voor elk wat wils is.

 

In een maatschappij waarin auditieve en visuele prikkels de "snelle" leefwereld van jongeren bepalen, beogen de muzieklessen een ervaringsgerichte oriëntatie op muziek en samenleving. De jeugdcultuur die vaak door externe, buitenschoolse en commerciële factoren wordt bepaald, vormt daarbij geen belevingspatroon waartegen de muzieklessen dienen in te gaan, maar een werkelijkheid die leerlingen op basis van een gedifferentieerd vocabularium, kritisch moeten leren benaderen.

Vanuit een bewuste beleving van de wereld van klank en muziek leren de leerlingen zich een plaats verwerven in de maatschappij, hetgeen leidt tot een innerlijke verrijking en de ontwikkeling van een evenwichtige persoonlijkheid. 

De muziekleerkracht coördineert het leerproces via diverse muzikale omgangsvormen:

  • vocaal musiceren: zingen, spreekteksten ...
  • instrumentaal musiceren: staafspellen, eigen (body percussion) en klein slagwerk, djembé’s, boomwhackers, keyboards ...
  • gericht luisteren naar muziek uit verschillende tijden, streken en stijlen; aangevuld met workshops en concerten zoals musiceren met cajons en boomwhackers, luisteren naar Herman en Rosita Dewit (volksmuziek) ...
  • individueel of in groep creëren (ontwerpen)
  • transformeren
  • reflecteren en communiceren

De laatste jaren is er veelvuldig onderzoek gedaan naar de invloed van muziek op het opvoedingsproces van kinderen en jongeren. De resultaten hiervan zijn een pleidooi voor een groter aandeel van muziek in onderwijs en opvoeding. We zijn er als muziekleerkrachten dus van overtuigd dat de muzieklessen in alle klassen van de eerste graad en in het tweede leerjaar van de tweede graad een zinvolle plaats innemen in het lessenrooster van de leerlingen.